|
|
Dit is de preek van zondag 27 oktober 2013. Lezingen: Sircah, 35, 12-14, 16-18. 2 Tim. 4,6-8.16-18, Lucas 18, 9-14 “De Heer is een rechter en bij Hem is er geen aanziens des persoons, Hij neemt geen steekpenningen aan”, zo horen we uit het boek Jezus Sirach (of Ecclesiasticus, zoals het vroeger heette). Ik heb mij afgevraagd, hoe God steekpenningen aan zou kunnen nemen. God heeft de wereld geschapen, van Hem is alles wat leeft! Hoe zouden we God steekpenningen kunnen geven?? Laat staan dat God ze aan kan nemen?? Het is natuurlijk maar een vergelijking, en toch... We horen in de lezingen wel wat aanwijzingen, hoe sommigen steekpenningen DENKEN te hebben. Áls er iets is waar God gevoelig voor is, én waar Hij het meest kwetsbaar lijkt, is het de zorg om de wereld en de mensen om ons heen. God noemt de mensen zelfs: Zijn kinderen. Allereerst komen daarbij Hem de zwaksten voor ogen: de arme, de verdrukte, het gezucht van de weduwe, wanneer zij blijft klagen. Sterker nog, het gebed van de arme dringt door de wolken heen, en zolang het zijn doel niet bereikt, rust het niet, tot het de Allerhoogste zich erbarmt en recht verschaft. Het woord; het gebed van de arme, wordt door Jezus Sirach, bijna gelijk gesteld aan het woord van God, want zoals het woord van God, neerdaalt uit de hemel en niet terugkeert, voordat de aarde is doordrenkt, en vruchtbaar is geworden en het woord vrucht heeft geschoten: Zo zal ook het gebed van de arme, omgekeerd, naar de wolken gaan en het doordringen, en niet onbeantwoord blijven, maar vrucht dragen in Gods erbarmen. We doen er dus goed, aan, door zorg te hebben voor de samenleving en in het bijzonder, voor degenen die kwetsbaar zijn. Als we de parabel horen over de Farizeeër en de Tollenaar, dan is het de Farizeeër, die OOK zorg heeft voor de samenleving. Hij mag dan wel een slechte naam hebben gekregen, dat sommigen fazizeeërs en Huichelaars in één adem noemen, tóch deden zij juist heel veel goeds, de farizeeër, komt zelfs naar de tempel om God te danken. Het was gebruikelijk dat men dicht bij God wilde zijn: vooraan in de tempel. En het was gebruikelijk om staande en hardop te bidden, zoals wij dat ook in de voorbede doen. De Farizeeër is zich bewust, dat hij het getroffen heeft, en laat dat ook zien: Hij vast niet alleen op de verplichte dagen, maar ook op de maandag en donderdag. Hij draagt niet alleen 10 % belasting af voor alle producten van het land, maar over heel zijn inkomen. Aan de Farizeeën is het misschien wel te danken, dat we giften van ons te betalen belasting af mogen trekken!!! De Tollenaar op zijn beurt is zich ook bewust van wat hijzelf doet: Hij werkt voor de vijand: de romeinen. En hij maakt misbruik van zijn positie, door mensen extra te laten betalen. Het verschil is echter, dat de Farizeeër zich afzet tegen anderen. Hij veroordeelt niet alleen het onrecht, maar in het bijzijn van de tollenaar; op hoorafstand, bidt hij hardop... dat de Tollenaar slecht is. En hoe goed een mens ook doet, en bij God in het gevlei probeert te komen: één ding is het wat God steekt, en wat al het andere bijna teniet doet. Als zijn kinderen op anderen néérzien. Het doet God pijn, als zijn kinderen onder elkaar oordelen en véroordelen. De farizeeër bidt dan ook niet tot God, Hij bidt met een lelijke sneer naar anderen toe: “Kijk mij eens het lievertje van de klas, en van de meester zijn!“ De tollenaar heeft het duidelijk minder getroffen, misschien heeft hij ook wel een slechte start gehad. We zijn niet allemaal in een goede wieg geboren. Ik kwam laatst in het contact met een jonge man (een jaar of 30): Johan. Hij was vol trots, want hij was al een drie weken afgekickt.. en nu wilde hij katholiek worden én... hij wilde zijn oude maatjes bekeren... Ik werd geraakt, door zijn eerlijkheid en enthousiasme, maar hoe meer ik van zijn levensverhaal hoorde, hoe pijnlijker ik getroffen werd. Hij was als kind geslagen door zijn vader, hij had een moeder die te ziek was om voor hem op te komen. Hij ging al heel vroeg uit huis, geraakte in de criminaliteit. Van jeugdgevangenis ging het bijna naadloos over in de volwassen gevangenis. Hij had gestolen, ook van zijn moeder... En de enige vrienden die hij had... waren zijn drinkmaatjes.. (En het was niet de eerste keer dat hij af was gekickt) En ga zo maar verder... We hebben twee gesprekken gehad, daarna kwam ik hem weer tegen bij zijn maatjes. En steeds als ik hem zie, spreek ik hem aan en groet ik hem hartelijk. Ik zie hem niet als een verliezer, maar zal ook niet goed praten wat hij doet. Maar ik vraag God, dat ik en vele anderen, het goede mogen zeggen: hem het gevoel gegeven, dat hij geen tweederangs burger is.. Moeder Therese zei ooit tegen haar zusters: “Als je ooit iets geeft aan een ander, geef het altijd met een glimlach. Als je met een bedrukt gezicht iets geeft (of erger nog met zichtbare tegenzin), dan kunnen mensen zich bezwaard voelen, en tot last en overbodig. Voor God zijn ze echter niet tot last, voor God én dus ook voor ons zijn ze dierbaar. En als mensen onbeschoft zijn, vraag God dan om meer geduld. Ze vervolgde met een glimlach, ik vraag God ook het ons niet te moeilijk te maken, om in elke naaste, Zijn ogen en Zijn vraag om Barmhartigheid te mogen erkennen. Moge het voor ons ook zo zijn. Overweging pastoor Roland Putman ofm |
|